The Flashing Flag of Tashkent

Niet alle Turks-Cyprioten zijn blij met de enorme vlag op de berghelling vlak boven Taşkent. Maar hun verzoek om de verwijdering van ‘het symbool van de Turkse bezetting van Noord-Cyprus’ vindt nog niet veel weerklank.

'The Turkish Cypriot flag of Tashkent is the biggest flag in the world', says Ersoy Taluğ, head of the village of Tashkent. 'Four hundred by two hundred meters: eleven soccer fields.'

Jorie Horsthuis

Terwijl overal op Noord-Cyprus kaarsen en noodaggregaten voor de dag worden gehaald omdat de stroom weer eens is uitgevallen, lijkt er op één plek nooit gebrek aan elektriciteit: in Taşkent, een bergdorpje ten noorden van de hoofdstad Nicosia. Zodra de zon onder is, beginnen vlak boven het dorp honderden lichtjes te flikkeren. Vanuit de wijde omgeving zijn ze te zien. Eerst verschijnt een grote ster. Dan een halve maan. Daarna een rechthoek eromheen, en als laatst twee banen boven en onder. Tot in de vroege ochtend knippert de immense Turks-Cypriotische vlag op de Vijf Vinger Bergen. Aan, uit, aan, uit – de hele nacht door.

“De grootste vlag van de wereld”, pocht Ersoy Taluğ, het dorpshoofd van Taşkent. “Vierhonderd bij tweehonderd meter, meer dan elf voetbalvelden.” Eind jaren tachtig verscheen de vlag – de Turkse vlag, maar dan de kleuren omgedraaid en twee extra banen – op de berg, een paar jaar nadat de voormalige Turks-Cypriotische president Rauf Denktaş had besloten eenzijdig de Turkse Republiek Noord-Cyprus (TRNC) uit te roepen. “Maandenlang hebben onze dorpsbewoners met Turkse soldaten samengewerkt om stenen naar boven te brengen en ze te beschilderen”, vertelt Taluğ. In 2004 zijn grote lampen om de contouren van de vlag geplaatst, zodat hij ook ’s avonds tot ver op het eiland goed te bezichtigen is. “In het begin werkten de lichten op grote generatoren, maar nu zijn ze op het elektriciteitsnetwerk aangesloten”, zegt het dorpshoofd. “Dus nu is Taşkent altijd van stroom verzekerd.”

‘Our villagers teamed up for months with the Turkish soldiers to bring the stones up the mountain and paint them’, says Taluğ. Jorie Horsthuis

“Heel frustrerend”, vindt Fuat, een Turks-Cypriotische inwoner van Nicosia. “Regelmatig zit ik hier in het donker, en als ik dan uit mijn keukenraam kijk, zie ik de vlag ongestoord schijnen. Blijkbaar kan de overheid ervoor zorgen dat niet overal de elektriciteit uitvalt.” Maar het signaal dat de knipperende vlag uitzendt naar de overige bewoners van het eiland maakt hem nog bozer. “Het is een grote provocatie voor de Grieks-Cyprioten. Zij beschouwen de vlag als een symbool van de Turkse bezetting van het noorden van Cyprus. En dat kan ik me goed voorstellen. Naast de vlag staat in enorme letters ‘Ne Mutlu Türküm Diyene’, wat zoiets betekent als ‘Gelukkig is degeen die zich een Turk mag noemen’. Belachelijk.”

In juli 1974 viel het Turkse leger Cyprus binnen, als een reactie op de door Griekenland gesteunde staatsgreep van nationalistische Grieks-Cyprioten. De soldaten bezetten 37 procent van het territorium en verjoegen meer dan honderdduizend Grieks-Cyprioten richting het zuidelijke deel van het eiland. Tienduizenden Turks-Cyprioten vluchtten naar het noorden. Sindsdien is Cyprus in tweeën verdeeld, en de Turkse soldaten zijn nooit meer uit het noorden vertrokken. “Het leger heeft zich de mooiste stranden en natuurgebieden toegeëigend”, zegt Fuat. “Overal staan hekken omheen, en prikkeldraad. Er hangen borden dat je geen foto’s mag maken. Wij bewoners mogen op veel plekken van ons eigen eiland niet meer komen.”

Next to the flag, ‘Ne Mutlu Türküm Diyene’, is written on the stones, which could be translated as ‘How happy is the one who calls himself a Turk’. Some Turkish Cypriots find this very offensive. Jorie Horsthuis

Fuat (32) behoort tot de kleine groep Turks-Cyprioten die zich openlijk uitspreekt tegen de grote invloed van Turkije op Noord-Cyprus. Maar nog steeds doet hij dat het liefst niet op een plek waar iedereen hem kan horen, ondanks dat de sfeer iets minder grimmig is geworden sinds Mehmet Ali Talat in 2005 Rauf Denktaş opvolgde als president van de alleen door Turkije erkende Turkse Republiek Noord-Cyprus. “Als je kritiek levert op Turkije, kan dat consequenties hebben. Veel Turks-Cyprioten durven niet te praten, omdat ze bang zijn dat ze bijvoorbeeld geen lening meer kunnen krijgen van de bank, of dat hun kinderen anders in de problemen kunnen komen op hun werk.”

Fuat praat liever in zijn auto, terwijl hij door de verdeelde hoofdstad van Nicosia rijdt. “Turkije bepaalt wat er in het Turks-Cypriotische parlement wordt besloten”, zegt hij, en hij wijst naar een oud fabrieksgebouw links langs de weg. “Dat is ons parlement. En kijk, dat gebouw aan de andere kant van de straat is de ambassade van Turkije. Als van daaruit vandaag iets naar de overkant wordt geroepen, is het morgen geregeld. De Turks-Cyprioten hebben zelf niks meer te zeggen.” Via de Kyrenia-poort rijdt de jonge Turks-Cyprioot de oude stad binnen. “Vroeger hield ik m’n hand nauwelijks aan het stuur als ik hier reed”, zegt hij. “Continu was ik aan het zwaaien naar mensen die voorbij liepen. Ik kende iedereen. Nu zijn er zoveel immigranten uit Turkije dat ik nooit meer hoef te zwaaien. Iedere dag lopen hier nieuwe mensen, ik ken helemaal niemand meer.”

Hoeveel immigranten de afgelopen decennia van Turkse plattelandsgebieden naar Cyprus zijn getrokken, weet niemand. Maar dat het er veel zijn, is duidelijk. Volgens het officiële bevolkingsonderzoek uit 2006 wonen bijna honderdduizend Turkse immigranten in Noord-Cyprus, nagenoeg net zoveel als het aantal Turks-Cyprioten zelf. Maar volgens Karşili zijn het er wel vier keer zoveel. “Ik geloof die getallen van de overheid niet. De demografie verandert zo snel, we zijn een kleine minderheid geworden in ons eigen land. Onze Turks-Cypriotische cultuur wordt de kop in gedrukt door de Turkse immigranten, die veel traditioneler zijn dan wij. Wij worden gedwongen te assimileren, en het doet pijn om te zien dat we langzaam onze eigen identiteit aan het verliezen zijn.”

De kritiek van mensen als Fuat wordt niet alleen door Turkije maar ook door veel Turks-Cyprioten veroordeeld als vorm van ondankbaarheid. “Als Turkije er niet was, zouden de Grieken ons vermoorden”, zegt Ersoy Taluğ, hoofd van het bergdorpje Taşkent aan de voet van de enorme vlag. Oorspronkelijk komen hij en zijn dorpsbewoners uit Tochni, een dorpje in het zuiden van Cyprus waar voor de oorlog zowel Grieks- als Turks-Cyprioten woonden. “In juli 1974 zijn alle Turks-Cypriotische mannen uit ons dorp gedood door Grieks-Cyprioten waar we jaren mee samen hadden geleefd. Door mensen waar we ’s ochtends altijd goedemorgen tegen hadden gezegd.” Taluğ steekt de sleutel in het slot van het Martelaarsmuseum, centraal gelegen in het dorp. “Ik kon zelf nog net ontsnappen en heb me een paar weken in de bergen schuilgehouden. Vierentachtig mannen zijn vermoord.” Het dorpshoofd wijst naar de foto’s van mannen met grote snorren en pikzwart haar, aan de muur van het kleine museum. Allemaal ooms, neven en buurjongens die het bloedbad niet hebben overleefd. “De VN wist dat het gebeurde, maar heeft niks gedaan. Wij vertrouwen helemaal niemand meer, alleen Turkije en het Turkse leger.”

In the small Martyrs Museum in Tashkent, portraits can be found of the 84 villagers who were killed during the war in 1974. Jorie Horsthuis

Twee maanden na de gebeurtenissen in 1974 vluchtten de dorpsbewoners naar Taşkent, in het door het Turkse leger veroverde noorden van Cyprus. Dat dorp heette even daarvoor nog Vouno, bewoond door Grieks-Cyprioten. Maar die waren inmiddels naar het Griekse zuidelijke deel van het eiland verjaagd, of vermoord. “De Turken wonen nu in het noorden, en de Grieken in het zuiden”, vat Taluğ de huidige situatie samen. “En dat is prima zo. We moeten twee aparte staten worden, met eigen regeringen. Net zoals Frankrijk en Duitsland. Buren. En de Turkse soldaten moeten blijven om ons te beschermen.”

Een opdeling van Cyprus – Fuat huivert ervan. Hij krijgt hierin bijval van Şener Levent, hoofdredacteur van de Turks-Cypriotische krant Afrika. “Wij willen een verenigd Cyprus”, zegt Levent in zijn kantoortje in Nicosia. “Er is maar een gemeenschap op dit eiland, en dat is de Cypriotische gemeenschap. Daar behoren we allemaal toe. Ik wil dat we weer gemixt leven, Turken en Grieken door elkaar. Maar dat is niet eens een optie op de onderhandelingstafel.” In 2004 schreef Kofi Annan van de Verenigde Naties een plan voor een federatie, waarbij de twee gemeenschappen weliswaar herenigd zouden worden, maar er ook genoeg ruimte zou blijven voor zelfbeschikking op lokaal niveau. Het plan ging niet door, omdat de Grieks-Cyprioten in een referendum massaal tegenstemden. De Turks-Cyprioten stemden overwegend voor. Het proces raakte in een impasse, en is pas recentelijk weer nieuw leven ingeblazen met de verkiezing van Dimitris Christófias als de nieuwe president van het Grieks-Cypriotische deel van het eiland. “Christófias is beter dan de vorige president Papadopoulos”, vindt Levent. “Maar ook hij is niet bereid om de Grieks- en Turks-Cyprioten gelijke rechten te geven.”

De hoofdredacteur wordt gezien als luis in de pels van Turkije, omdat hij in zijn artikelen strijdt tegen de invloed van dat land op Noord-Cyprus. Hij schrijft dat de Turkse troepen zich terug moeten trekken van het eiland, en dat de immigranten weer terug moeten verhuizen naar hun grond in Turkije. In de afgelopen jaren belandde hij regelmatig op het politiebureau, of zelfs in de gevangenis. Hij werd beschuldigd van spionage voor de Grieks-Cyprioten, en meerdere malen werd de hele inventaris van de krant in beslag genomen. In 2001 veranderde hij de naam van zijn krant van Europa in Afrika, “omdat het lijkt alsof we hier in de jungle leven”.

In 2004, hundreds of lights were put around the contours of the flag. They flash all night long and can be seen from many Greek Cypriot parts of the island. Jorie Horsthuis

Levent schrijft regelmatig dat de grote Turks-Cypriotische vlag op de berghelling van Taşkent verwijderd zou moeten worden. Maar daar willen de dorpsbewoners niets van weten. “Onze Turks-Cypriotische staat wordt misschien niet erkend, maar om onze vlag kan niemand heen”, zegt dorpshoofd Taluğ. Zijn zoon Mehmetali klimt de berg op. Het eerste deel kan nog met de auto, de rest moet per voet. Op het laatst is er ook geen pad meer, alleen nog maar rotsblokken. Cementmolens met verf staan verspreid over de helling. “Door de weersomstandigheden slijten de kleuren,” zegt Mehmetali. “Ieder paar jaar moet de vlag opnieuw worden geschilderd. Ze zijn nu weer bezig.”

Als Mehmetali terugkomt in het dorp, is het donker geworden. De koplampen van een auto verlichten het winkeltje van hem en zijn vader. Generatoren ronken. Hoe kan dat? Taşkent had toch altijd elektriciteit? Mehmetali haalt zijn schouders op. “Dit gebeurt echt heel zelden”, zegt hij. Om acht uur, als de lichtjes om de vlag eigenlijk zouden moeten gaan branden, gebeurt er niks. De zoon van het dorpshoofd schuifelt wat op zijn voeten. Zenuwachtig kijkt hij naar het klokje op zijn mobiele telefoon. Dan verschijnt plotseling de ster, en even later de halve maan. Het is twee over acht. Maar terwijl de vlag begint te knipperen, blijven de lichten in het winkeltje van het dorpshoofd uit.

This article was originally published in the Dutch weekly De Groene Amsterdammer in 2008.