Soldiers in the Courtyard

Dwars door het centrum van de Cypriotische stad Nicosia loopt een muur van ruïnes, hekken, zandzakken en golfplaten die de Grieks-Cyprioten van de Turks-Cyprioten scheidt. De straten rond de bufferzone zijn al meer dan dertig jaar verlaten. ‘Zelfs de postbode durfde hier niet te komen.’ Een reportage uit de laatste verdeelde hoofdstad van Europa.

Day and night, soldiers watch each other from both sides of the Cypriot capital Nicosia.

Jorie Horsthuis

‘Wil je de soldaten zien? No worry!’ Nikolas staat op van het terras en loopt naar de achterkant van het café. Olievaten volgegoten met cement versperren de doorgang. De Grieks-Cyprioot klimt op één van de vaten en kijkt over de omheining. Een VN-soldaat fietst op een mountainbike langs de muur van een ruïne. ‘Dat was een prachtig gebouw vroeger’, wijst Nikolas. ‘Nu is er niks meer van over. En zie je dat daar, achter die hoge boom? Daar loopt een Turkse soldaat.’ In de verte loopt een mannetje heen en weer op een plat dak. ‘Zie je hem bewegen? Kijk, daar gaat ‘ie.’

Ergens dichtbij klinkt gitaarmuziek en gelach. Nikolas spitst zijn oren. ‘Dat zijn de Griekse soldaten’, concludeert hij en hij loopt om het pand heen. Aan de andere kant zitten twee jonge soldaten op het trapje van de uitkijkpost. Een jongen met een gitaar staat voor hen op de grond. Hij stopt met zingen als Nikolas op de binnenplaats verschijnt. ‘Deze jongens moeten opletten dat er geen Turkse soldaten hierheen komen’zegt Nikolas. ‘Maar wie komt er nou? Niemand natuurlijk.’

Een kleine auto rijdt de binnenplaats op. Een vrouw van middelbare leeftijd stapt uit en geeft een pan eten aan één van de soldaten. ‘Zijn moeder brengt hem eten’, zegt Nikolas. De vrouw glimlacht. ‘Van thuis’, beaamt ze. De jongen neemt de pan mee naar binnen. Het oude pand is nagenoeg leeg, alleen bij het raam staan wat stapelbedden.

Dag en nacht houden soldaten elkaar vanaf een afstand in de gaten in het centrum van de Cypriotische hoofdstad Nicosia. Dwars door de stad loopt de ‘Groene Lijn’, die het eiland in tweeën deelt: de Turks-Cyprioten in het noorden en de Grieks-Cyprioten in het zuiden. Een vredesmissie van de Verenigde Naties bewaakt de bufferzone, een bijna tweehonderd kilometer lange strook niemandsland tussen de twee delen van het eiland.

Almost two hundred kilometers of no man’s land runs through the two parts of the island of Cyprus. The buffer zone is being guarded by a UN peace mission. Jorie Horsthuis

Met stukken muur, hekken, zandzakken en golfplaten wordt de bufferzone aan beide zijden afgesloten. Overal in de afscheiding zitten uitkijkposten. ‘Kom, hiernaast kun je erin’, zegt Nikolas en hij loopt een hoekje om richting een afscheidingwand van golfplaten. Op de wand is een Griekse vlag geschilderd. Nikolas trekt een geïmproviseerd deurtje open en steekt zijn aansteker aan: het is pikkedonker binnen. Links zitten een paar smalle kijksleuven. ‘Kijk er maar eens doorheen’, zegt Nikolas. Maar het struikgewas aan de andere kant van de afscheiding is zo wild dat je alleen maar bladeren ziet.

Nikolas (44) was tien jaar toen de oorlog op Cyprus begon. ‘Ik woonde in een huis hier in de buurt, mijn slaapkamer was op de tweede verdieping. Ik hoorde vliegtuigen over razen en zag Turkse soldaten met parachutes naar beneden komen. We moesten allemaal binnen blijven.’ In 1974 viel het Turkse leger Cyprus binnen, na een mislukte staatsgreep van Griekse nationalisten die van plan waren het eiland bij Griekenland in te lijven. Binnen enkele dagen bezetten de Turken veertig procent van het eiland en verjoegen alle Grieks-Cyprioten die nog in het Turkse deel woonden.

Nikolas loopt naar zijn oude straatje en wijst op een groot gat in de muur van een hoekhuis. ‘Hier woonden onze buren’, vertelt hij. ‘Met een bazooka schoten de Turken naar de Griekse kant. Wij schoten ook hoor, moet je maar eens kijken.’ Hij wijst naar een hoog, wit gebouw in het Turkse gedeelte. Vooral de bovenste verdiepingen zitten vol enorme gaten.

Toen de hevigste gevechten waren afgelopen, kwamen de inwoners van Nicosia langzaam weer terug naar hun huizen. Maar bij de Groene Lijn durfde niemand meer te komen. Soldaten hielden daar de wacht en het geweld kon zomaar weer oplaaien. De straten rond de afscheiding bleven aan beide zijden verlaten. Huizen raakten langzaam in verval. ‘Het leek hier wel het Wilde Westen’, vertelt Maria (45), die twintig jaar in de Aftokratiras Theodoras heeft gewoond, een straat direct grenzend aan de Griekse kant van de bufferzone. ‘De huizen waren veranderd in bouwvallen, er zaten geen deuren en ramen meer in. Overal waren ratten.’

‘Streets are completely deserted here’, says Michael, pharmacist in the neighbourhood right next to the Green Line. ‘Before the war, this area was the most popular in the whole of Nicosia.’ Jorie Horsthuis

Nog geen twintig was Maria toen ze in 1985 besloot het huis op te knappen dat haar toenmalige man van zijn oma had geërfd. ‘We waren de eerste jonge mensen die in deze straat kwamen wonen’, vertelt ze. ‘Aan het begin van de weg woonden twee oude vrouwtjes, voor de rest was het verlaten. Mensen waren bang om terug te keren naar hun huizen. Zelfs de postbode weigerde om in onze straat te komen. Hij bezorgde onze brieven twee straten verderop bij een winkeltje en daar moesten wij ze dan halen.’

Toen Maria in het huis kwam wonen, stonden er dag en nacht soldaten in haar tuin. ‘Onze tuin lag half in de bufferzone’, vertelt ze. ‘De Grieks-Cypriotische soldaten bivakkeerden achter olievaten die ze daar hadden neergezet. Dertig meter verderop stonden de Turkse soldaten. Je zag ze niet, maar je kon ze wel horen. Vooral ’s avonds. Af en toe hoorde je harde klappen, en dan schreeuwde iemand ‘au, au!’. Waarschijnlijk werd er dan een soldaat geslagen die per ongeluk in slaap was gevallen terwijl hij eigenlijk had moeten patrouilleren. Zenuwslopend, al die geluiden zo dichtbij. Het heeft me maanden gekost om ’s nachts te kunnen slapen en een beetje tot rust te komen.’

Vijftien jaar geleden verlieten de Grieks-Cypriotische soldaten de tuin van Maria. Dat was het eerste teken van een nieuwe tijd. Maar de grootste verandering kwam op het moment dat de eerste grens openging op het eiland, april 2003. ‘Ik ben direct naar het Turkse deel gegaan. Ik was zo benieuwd hoe het er aan de andere kant uitzag. Al die jaren had ik vanuit mijn tuin mensen horen praten en kinderen horen spelen. Ze waren maar dertig meter weg, maar ik had ze nog nooit gezien. Jammer genoeg kon ik maar moeilijk met die mensen in contact komen, want ze spraken geen Grieks of Engels. Maar op andere plekken in Noord-Nicosia ben ik wel Turks-Cyprioten tegengekomen waar ik mee kan communiceren. Ik ga er nu vaak naartoe, gewoon om een kopje koffie te drinken en een praatje te maken.’

Agios Kassianos, het buurtje waar Maria woonde, is de afgelopen jaren opgeknapt, deels met geld van de Europese Unie. Sindsdien zijn veel bewoners teruggekeerd en zijn de straten weer levendig. Plannen om ook andere buurten op te knappen zijn er op papier, maar er komt nog niet veel van terecht. Het grootste gedeelte van het gebied rondom de bufferzone lijkt daarom nog altijd op een spookstad, ruim dertig jaar na de laatste gevechten.

‘Het is echt uitgestorven hier’, zegt Michael (74), apotheker in een straatje vlakbij de Groene Lijn. ‘Voor de oorlog was dit gebied het populairst van heel Nicosia. Overal waren winkels en altijd was het druk. Maar tijdens de oorlog in 1974 is iedereen weggevlucht en nu komt er niemand meer.’ Michael loopt naar de ingang van zijn kleine apotheek. ‘Alleen daar woont nog een oude vrouw’, zegt hij, en hij wijst naar een bovenverdieping in hetzelfde blok. ‘En op de hoek woont nog een oude man. De rest is vertrokken en nooit meer teruggekomen.’

Van vloer tot plafond staat Michaels zaak vol met doosjes, potjes en tubetjes. Op zijn toonbank staat een vaas met kunstbloemen, en daaromheen ligt het bezaaid met papieren. ‘Voor de oorlog had ik veel Turks-Cypriotische vrienden en klanten’, vertelt Michael. ‘Grieks-Cyprioten en Turks-Cyprioten woonden door elkaar. Nooit waren er problemen. Sommige Turks-Cyprioten waren al vertrokken in de jaren vijftig en zestig, maar de meesten woonden hier nog toen de oorlog uitbrak.’

Sommige vrienden namen na hun vlucht contact op met Michael vanuit het Turkse deel van Cyprus. ‘Ze belden om te vragen hoe het met me ging. Ze zeiden dat ze het heel erg vonden dat het zo was gelopen en dat ze het liefst weer wilden terugkomen. Ik zei dat ze altijd welkom waren, dat er tussen ons niets mis was. We waren al zoveel jaren bevriend, het maakte ons niet uit welke nationaliteit we hadden. Ik miste ze.’ Na de opening van de eerste grens tussen Noord en Zuid in 2003 kwamen drie vrienden van Michael terug om hem op te zoeken. ‘Ze waren oud geworden, net als ik’, vertelt hij. ‘We spraken over vroeger, over onze vriendschap. Het was heel bijzonder om ze terug te zien.’

On April 3, 2008, the Ledra street was opened to the public in the center of Nicosia. Since then, thousands of people cross the border every day to see the other side of the city. Jorie Horsthuis

Op 3 april van dit jaar was er een nieuwe doorbraak in het conflict, toen de leiders van beide partijen overeenkwamen om de Ledrastraat te openen, een belangrijke grens midden in de drukste winkelstraat in het centrum van de hoofdstad. Sindsdien staan er iedere dag lange rijen mensen die de andere kant van de stad wel eens willen zien. In het Turkse gedeelte worden winkels en eettentjes in razend tempo gerenoveerd om de Grieks-Cyprioten en de toeristen die nu zullen komen goed te kunnen ontvangen. Een oud vrouwtje met een stoffige rok en een t-shirt met tijgerprint staat in een zijstraat van de Ledrastraat puin te ruimen in een ruïne. ‘We gaan hier een nieuwe kledingwinkel bouwen’, vertelt ze. Een jongeman helpt haar om de oude stenen naar buiten te brengen.

‘Het is een soort reïncarnatie’, zegt Aziz, een Turks-Cypriotische journalist die een drukkerij heeft in de buurt van de Ledrastraat. ‘Decennialang is dit gebied doodstil geweest, en nu leeft het weer. Moet je eens kijken hoeveel mensen hier rondlopen.’ Hij wijst naar een druk winkelstraatje waar toeristen met verbrande koppen onderhandelen over een Turkse sjaal. Aziz glimlacht. ‘De ziel is teruggekeerd.’ Toch denkt hij niet dat de Turks-Cyprioten die uit het gebied rondom de bufferzone zijn weggetrokken snel zullen terugkeren. ‘Immigranten uit Turkije zijn in de huizen gaan wonen’, vertelt hij. ‘En die zullen niet zomaar weer weggaan.’

Net als in het Griekse gedeelte lopen ook in het Turkse gedeelte overal straatjes dood op de plekken waar de bufferzone begint. Aan de hekken, schotten en doeken die de Groene Lijn afsluiten hangen borden met militair gebied - verboden toegang erop, en een afbeelding van een soldaat met een groot geweer. Vlak naast de ruïne van een kerk zijn kinderen aan het voetballen. ‘Als de Cyprioten het zelf voor het zeggen hadden, zou het conflict op ons eiland zo zijn opgelost’, stelt Aziz. ‘Grieks-Cyprioten en Turks-Cyprioten kunnen prima met elkaar overweg. Misschien is vijfentwintig procent van de bevolking aan beide zijden nationalistisch, de rest wil gewoon zo snel mogelijk een oplossing. Het probleem zijn onze leiders. Die zijn niet bereid compromissen te sluiten.’

Toch heeft Aziz nieuwe hoop gekregen, nu aan zowel Turkse als Griekse kant nieuwe presidenten zijn gekozen. ‘De laatste maanden komen er veel positieve signalen uit de onderhandelingen. En Turkije kan een oplossing op Cyprus gebruiken als onderhandelingsmateriaal voor de toetreding tot de Europese Unie. Dus wie weet.’

Ook aan Grieks-Cypriotische zijde is er nieuwe hoop op een doorbraak. Maar er heerst ook scepsis. ‘Nieuwe presidenten lijken in het begin altijd bereid om het conflict op te lossen’, zegt de apotheker Michael. ‘Maar in een verder stadium van de onderhandelingen geven ze er altijd weer de brui aan. Dat gaat nu al meer dan dertig jaar zo. Als er geen druk van buitenaf komt, zal er misschien nog wel honderd jaar worden onderhandeld.’ Maar dat de muur in de hoofdstad zo snel mogelijk moet worden afgebroken, daar zijn de meeste Cyprioten het wel over eens. ‘Die muur had er nooit moeten zijn’, besluit Michael.

This article was originally published in the Dutch magazine Perron E in 2008.