Waiting for Visitors in the State Museum

Iedere dag wachten studenten Engels in het staatsmuseum van Nagorno-Karabach op toeristen. Maar die komen nauwelijks naar deze niet-erkende staat in de Kaukasus. De reis is lastig, en gevaarlijk bovendien.

'The best way to learn a language is to practice it', says Lilia (19), student of English. 'So we sit here in the museum and wait for tourists. But there are not so many of them.'

Trip Advisor

De deur van het staatsmuseum in Stepanakert is dicht. Het is een gewone dinsdagochtend, officieel zou het museum in de hoofdstad van Nagorno-Karabach geopend moeten zijn. Na even proberen blijkt de deur dan ook weliswaar dicht, maar niet op slot. In de entreehal is het donker, maar uit het kamertje rechts naast de ingang klinkt gepraat. Een groepje vrouwen zit met elkaar aan tafel in de onverlichte ruimte. Ze schrikken op van de bezoeker. Ja, het museum is geopend, knikken ze. Een dame in een rood mantelpakje veert op en loopt op haar pantoffels naar de eerste zaal van het museum. Ze knipt het licht aan en wijst naar de foto’s aan de muur. Dan trekt ze zich terug in een hoekje van de ruimte, zodat de bezoeker de beelden rustig kan bekijken. Entree betalen hoeft niet.

Grote kaarten van Armenië hangen aan de wand – van Armenië zoals het nu is, en van Armenië zoals het volgens de Armeniërs zou moeten zijn. In het laatste geval strekt het land zich uit van de Middellandse Zee tot aan de Kaspische Zee, ver over de officiële grenzen met buurlanden Turkije en Azerbeidzjan. Naast de landkaarten hangen foto’s van kerken en kloosters die in de oorlog van de jaren negentig zijn verwoest. Informatie over de foto-expositie is er verder niet. Op een vraag van de bezoeker schudt de suppoost verontschuldigend haar hoofd. Engels spreekt ze niet. Als ze glimlacht, worden haar gouden voortanden zichtbaar.

Het staatsmuseum staat midden in het centrum van Stepanakert, vlakbij het parlement, het regeringsgebouw en het presidentieel paleis. Dat Nagorno-Karabach nergens ter wereld wordt erkend als onafhankelijke staat, lijkt hier weinig uit te maken. De bewoners van deze enclave in de zuidelijke Kaukasus hebben hun eigen vlag, volkslied en bestuur. Sinds 1991 vieren ze ieder jaar uitbundig onafhankelijkheidsdag, met officiële plechtigheden, traditionele muziek en vuurwerk. Ondertussen is het gebied compleet afgesloten van de buitenwereld, en wordt het nog altijd omringd door het Azerbeidzjaanse leger. Ondanks de vredesbesprekingen tussen de Armeniërs en de Azeri die nu al meer dan vijftien jaar duren, zijn er nog regelmatig beschietingen over en weer.

De vloer van het museum kraakt als de suppoost alvast naar het volgende vertrek loopt. Ze doet daar de lampen aan, en als de bezoeker binnen is, knipt ze snel het licht van de eerste zaal weer uit. Andere bezoekers zijn er niet. In vitrines liggen speerpunten en munten, en aan de wand van de volgende zaal hangen handgemaakte tapijten. Op de eerste verdieping staan bustes van Armeense generaals die in het Sovjetleger hebben gediend. Af en toe gaapt de suppoost even, of snottert ze wat in haar zakdoek. Bij een kast met lokale wijnen en cognac brengt ze haar kapsel met een paar bewegingen weer in model – de ruit van de vitrine geeft een mooie spiegeling.

The museum guard switches on the light when a visitor enters a room - and switches it off when he or she is leaving. Trip Advisor

Een week later heeft de bezoeker meer geluk, en is er wel iemand in het museum aanwezig die Engels spreekt en meer over de exposities kan vertellen. Een meisje in een glimmend strak truitje met bloemen erop wil graag een rondleiding geven. Op haar hoge hakken loopt ze door de vertrekken, wijzend naar de verschillende attributen die zijn uitgestald. Ze praat zo snel dat haar verhaal nauwelijks nog te volgen is. “Zou u niet nog een keer terug willen komen?”, vraagt het meisje aan het einde van haar rondleiding. “Er zijn studenten Engels die heel graag willen oefenen. Maar er komen zo weinig buitenlanders in Karabach dat het heel moeilijk voor ze is om mensen tegen te komen. Daarom komen ze iedere middag naar het museum, in de hoop op toeristen.”

Zes dagen in de week zitten ze in het staatsmuseum te wachten, knikken Ira en Lilia een paar dagen later. Ze zijn vierdejaars student Engels aan de Mesrop Mashtoc universiteit, een privé-instelling in Stepanakert. “Een taal kun je alleen maar leren door het te spreken”, zegt Lilia (19). “Dus hebben we geleerd om in het Engels over de geschiedenis van Karabach te vertellen, zodat we toeristen kunnen rondleiden.” Maar toeristen ontmoeten ze eigenlijk zelden. Daarom proberen ze er zelf wat van te maken, door karaoke-avonden te organiseren of Engelse liedjes in te studeren. Af en toe spelen ze met z’n allen een Engels toneelstuk, zoals Hamlet of Romeo en Julia. En iedere dag gaan ze na college weer vol verwachting naar het staatsmuseum. Wie weet komt er iemand.

Volgens cijfers uit de Armeense media komen per jaar zo’n vierduizend toeristen naar Nagorno-Karabach. Ondanks investeringen in wegen en hotels zijn er nog steeds maar weinig mensen die de reis naar deze niet-erkende staat wagen. Het bergachtige gebied is alleen toegankelijk via een corridor vanuit Armenië – de grenzen met Azerbeidzjan zitten potdicht en zijn levensgevaarlijk. Met een minibusje doet de reiziger er zo’n zes uur over om vanuit Yerevan, de hoofdstad van Armenië, over een kronkelend weggetje naar Stepanakert te komen. Accommodaties zijn duur: omdat de hotels maar op een paar procent van hun capaciteit draaien, vragen ze torenhoge prijzen voor hun diensten. En buiten de begaande paden ligt het nog altijd vol mijnen.

Al wil een toerist graag naar Nagorno-Karabach, dan nog is niet zeker of hem dat ook lukt. Een visum krijgen is lastig. Daarvoor moet de reiziger een bezoek brengen aan het onofficiële consulaat in Yerevan, waar hij moet uitleggen wat hij in Nagorno-Karabach komt doen. Vervolgens moet hij tientallen euro’s op tafel leggen en hopen dat de medewerker die de aanvraag behandelt hem goed is gezind. Hij moet beloven dat hij zich in Nagorno-Karabach meldt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, die opnieuw zijn gangen na zal gaan. En zodra het visum eenmaal in zijn paspoort is geplakt, kan hij een eventuele reis naar Azerbeidzjan wel vergeten – de Azerbeidzjaanse autoriteiten beschouwen het document als illegaal. Volgens hen ligt Nagorno-Karabach op hun grondgebied, en zijn visa een schending van hun territoriale integriteit.

De mensen die toch bereid zijn deze stappen te ondernemen, komen nagenoeg allemaal uit de Armeense diaspora. Ze spreken Armeens en kennen de geschiedenis van Nagorno-Karabach. Niet direct de eerste bezoekers waar de studentes Ira en Lilia in het staatsmuseum op zitten te wachten. Slechts heel af en toe is het raak, en bezoekt iemand zonder Armeense wortels het museum. “We hebben al een keer Japanse toeristen rondgeleid”, zegt Lilia. “Hun Engels was niet veel beter dan dat van ons, dus dat was wel grappig.” Ook hebben ze een keer een jongen ontmoet uit Australië. “Die hebben we later ook meegenomen naar Gandzasar en Shoushi, belangrijke plekken in Karabach”, vertelt Lilia. “Dat was erg leuk, want daardoor hadden we meer tijd om Engels te praten. En zo kregen we de kans om hem vragen te stellen over zijn cultuur, over het leven in een ander land.” Want zelf reizen, dat zit er voor deze jonge inwoners van Nagorno-Karabach niet in. Het enige contact dat zij met de buitenwereld hebben ontstaat via internet, of via het staatsmuseum in Stepanakert.

This article was published in Prospekt in 2009.