Kosovo’s Conflicting History Books

In Kosovo gaan Albanese en Servische kinderen gescheiden naar school. Van jongs af aan leren ze dat ze vijanden van elkaar zijn. Niet erg bevorderend voor de integratie, erkent ook de aanwezige internationale gemeenschap.

'Serbian and Albanian children are taught completely different versions of history', says a UN official in Mitrovica.

Jorie Horsthuis

Twee meisjes zitten al klaar in het kleine klaslokaaltje als de eerste bel gaat. Met hun hoofd voorovergebogen staren ze naar de boeken die voor hen op tafel liggen. Een gezette vrouw met kort, donker haar en een wijde rok komt binnen. “Good afternoon”, zegt ze tegen de meisjes, met een keurig Brits accent. Zachtjes groeten ze terug, zonder op te kijken uit hun boeken.

“Dit zijn de enige twee leerlingen die nog over zijn gebleven uit groep zeven”, zegt Pepica, lerares Engels op de Servische school in Orahovac, een stadje in het westen van Kosovo. “Drie jaar geleden hadden we er nog vijf, maar drie van hen zijn inmiddels vertrokken naar Servië. En de gezinnen die hier nog zijn hebben ook plannen om te verhuizen.” Voor de oorlog in 1999 woonden er zo’n 1500 Serviërs in Orahovac. Daar zijn er nu nog 400 van over, geconcentreerd in een paar straten op de helling van een heuvel aan de rand van de stad.

“Voor de oorlog zaten de klassen vol”, vertelt Pepica. “Minstens dertig kinderen per klas. We hadden toen twee grote scholen in het centrum van Orahovac. Nu zitten we in dit gebouwtje, een voormalige supermarkt.” De ingang van de school bevindt zich aan een pleintje midden in de Servische enclave. Er staat een groot pantservoertuig van de Kosovo Force (KFOR) geparkeerd, met twee soldaten ervoor die mitrailleurs om hun schouder hebben hangen. “De meesten van ons komen nooit meer in de stad”, zegt Pepica. “We durven niet. De Albanezen wonen daar, en we zijn bang dat die ons iets aandoen als ze ons zien lopen.” Ze vraagt aan haar twee leerlingen of die nog wel eens buiten de enclave komen. De meisjes schudden hun hoofd.

‘Before the war, our classes were packed’, says Pepica, teacher in the Serbian enclave of Orahovac, in the western part of Kosovo. ‘Now, some classes only have two pupils left.’ Jorie Horsthuis

Sinds het einde van de oorlog in 1999 zijn de rollen van de Serviërs en de Albanezen in Kosovo omgedraaid. Al vormden de Serviërs al eeuwenlang een minderheid in het gebied, toch maakten zij tot eind jaren negentig de dienst uit in het openbare leven. Met de komst van de internationale gemeenschap naar de voormalige provincie van Servië is de situatie compleet omgeslagen. De Albanezen, die inmiddels zo’n negentig procent van de bevolking vormen, hebben flink aan macht gewonnen. Veel Serviërs zijn vlak na de oorlog gevlucht. De overgeblevenen wonen in het noorden van Kosovo, waar ze nog steeds de meerderheid vormen, en in enclaves in de rest van het gebied. Contact met de Albanese gemeenschap hebben ze nauwelijks. Ze bezoeken Servische ziekenhuizen, doen boodschappen in Servische winkels en sturen hun kinderen naar Servische scholen. Dat ze daar soms grote afstanden voor moeten afleggen, nemen de ouders voor lief. In sommige gevallen moeten kinderen zelfs al op jonge leeftijd naar een campus verhuizen, omdat er in hun eigen streek geen middelbare school is.

In het bergachtige gebied in het zuiden van Kosovo woont Aleksander, in een piepklein houten huisje langs de grote weg. Iedere ochtend rijdt hij met zijn leeftijdsgenoten in een oude gammele bus naar de enige middelbare school in de enclave. Daar leert hij uit schoolboeken die in de Servische hoofdstad Belgrado worden gedrukt, volgens een curriculum dat door de Servische overheid is vastgesteld. Aleksander vist zijn geschiedenisboek uit zijn rugtas en bladert erdoorheen. Helemaal achterin zijn een paar pagina’s gedrukt over het uiteenvallen van Joegoslavië. Er staat dat de NAVO Servische doelen heeft gebombardeerd in 1999. Dat na de komst van de internationale gemeenschap 200.000 Serviërs uit Kosovo moesten vluchten, omdat ze werden aangevallen door de Albanezen. Foto’s van voertuigen die in lange colonnes het gebied uit trekken begeleiden de tekst. Met geen woord wordt gerept over de wandaden die de Serviërs tegen de Albanezen hebben gepleegd voordat de NAVO besloot het gebied te bombarderen. Of over de Servische leider Slobodan Milosevic, die later werd aangeklaagd wegens oorlogsmisdaden.

In Mitrovica, Noord-Kosovo, woont het Albanese meisje Anita. Ze leeft met haar ouders en zusje op een etage in het centrum van de stad. Haar geschiedenisboek ziet er heel anders uit dan die van Aleksander. In dit boek is een heel hoofdstuk gewijd aan de oorlog in Kosovo. Er wordt verteld over hoe de Amerikanen de Albanezen hebben gered van de terreur van de Serviërs. Over Adem Jashari, de Albanese vrijheidsstrijder die met zijn hele familie werd vermoord tijdens een Servische aanval en nu als nationale held wordt gezien. Ook in dit boek een foto van vluchtende mensen. Alleen zijn het geen Serviërs, zoals in het geschiedenisboek van Aleksander, maar Albanezen. Opeengepakt in een wagen vertrekken ze uit Kosovo, op de vlucht voor de meedogenloze Serviërs. In dit Albanese schoolboek echter geen paragraaf over de vernielingen die de Albanezen hebben aangericht onder Servische bezittingen na de komst van de internationale gemeenschap, niks over de miserabele situatie in de Servische enclaves die er na de oorlog zijn ontstaan.

Serbian children from all over Kosovo are sent to North Mitrovica to go to school. Even though they are very close to the Albanian children on the other side of the Mitrovica bridge, they rarely meet. Jorie Horsthuis

“Servische en Albanese kinderen in Kosovo leren compleet verschillende versies van de geschiedenis”, vertelt een functionaris van de Verenigde Naties (VN) in Mitrovica. “Na de oorlog waren de Albanezen verheugd dat ze eindelijk hun eigen curriculum konden bepalen. Decennialang waren ze onderdrukt door de Serviërs, en nu grepen ze hun vrijheid. In de eerste jaren hebben we als VN geprobeerd om een gezamenlijk curriculum op te zetten voor Serviërs en Albanezen. Maar dat bleek absoluut onmogelijk. De Albanezen waren niet meer bereid om concessies te doen, en de Serviërs wilden onder geen beding dat hun kinderen uit Albanese boeken zouden leren. Dus zijn er parallelle systemen.” In 2006 bracht de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) een rapport uit over de parallelle systemen, die niet alleen op het terrein van onderwijs maar ook van gezondheidszorg en rechtspraak bestaan. Daarin staat dat de internationale gemeenschap grotendeels heeft gefaald om de parallelle systemen op te heffen. De regering in Pristina, de hoofdstad van Kosovo, heeft totaal geen grip op wat er in de Servische scholen gebeurt.

Het bestaan van parallelle systemen is niet nieuw in Kosovo. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw werden al manieren ontwikkeld om naast de officiële instanties te kunnen opereren. Toen waren het echter niet de Serviërs die deze parallelle systemen moesten ontwikkelen, maar de Albanezen. Onder Milosevic werd het Albanese onderwijs, dat in de decennia daarvoor juist langzaam kon worden opgezet, aan banden gelegd. Duizenden Albanese leraren werden ontslagen, en degenen die overbleven werden streng gecontroleerd. Onderwijs in de Albanese literatuur en geschiedenis was strikt verboden. De Servische en Albanese kinderen werden van elkaar gescheiden in verschillende klaslokalen. In sommige gevallen mochten de Albanese kinderen zelfs niet meer naar de ‘Servische’ wc’s. De Albanese gemeenschap zette zelf een nieuw onderwijssysteem op, waarin ze hun kinderen toch probeerden iets van de Albanese cultuur bij te brengen. In leegstaande gebouwtjes, of soms zelfs in de huiskamer van de leraar, kregen de kinderen les.

De controle van de Servische politie was streng, en de straffen waren hoog als ontdekt werd dat de Albanezen zich niet aan de regels hielden. “We waren altijd bang”, zegt Lindita, een Albanese lerares in Mitrovica, Noord-Kosovo. Die angst verdween met de komst van de internationale gemeenschap naar Kosovo. “Eindelijk kunnen we zelf bepalen wat we de kinderen willen onderwijzen. Vroeger moesten ze leren over Joegoslavië. Nu leren onze leerlingen over Kosovo, uit boeken die we laten drukken in Pristina. Al onze lesmaterialen zijn Albanees.” In de hal van haar school hangt een grote Albanese vlag. De muren van de klaslokalen zijn volgeplakt met collages over de strijd die het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK heeft geleverd tegen de Serviërs aan het eind van de jaren negentig.

Geen Serviër die in zo’n soort school nog een stap over de drempel zou willen of durven zetten. Volgens de OVSE heeft het Servische ministerie van Onderwijs tot nog toe weinig moeite gedaan om invloed op het nieuwe Kosovaarse onderwijssysteem te krijgen. Integendeel, het doet het er alles aan om de parallelle Servische scholen draaiende te houden. Met hoge lonen worden Servische onderwijzers verleid in Kosovo te blijven wonen, zelfs in de meest afgelegen gebieden waar steeds meer gezinnen uit wegtrekken. In Kosovo kunnen leraren twee keer zoveel verdienen als wanneer ze in Servië zelf zouden werken. “Als ik minder zou verdienen, zou ik allang zijn vertrokken”, geeft een lerares in de enclave van Strpce toe. Tot 2006 verdienden de onderwijzers ook nog een salaris bij het Kosovaarse ministerie van Onderwijs, maar dat hebben ze onder druk van de Servische regering moeten opzeggen.

Ondertussen is de kloof tussen de bevolkingsgroepen in Kosovo alleen nog maar aan het groeien. In een gebied waar kinderen al van jongs af aan leren dat ze vijanden van elkaar zijn, lijken integratie en tolerantie erg ver weg. Terwijl dit toch belangrijke doelen waren van de internationale gemeenschap bij haar komst in 1999. “Dat klopt”, zegt de VN-functionaris in Mitrovica. “En toch moeten we leven met de situatie zoals hij nu is. Onderwijs is hier een ongelooflijk gevoelig onderwerp, en onze pogingen tot integratie van de verschillende systemen zijn mislukt.Wanneer we de bevolkingsgroepen op dit moment zouden dwingen een gezamenlijk curriculum te ontwerpen, lokken we hevige protesten uit aan beide kanten. Dat kunnen we niet riskeren in het huidige stadium waarin de status van Kosovo moet worden bepaald. We zijn als internationale gemeenschap vooral nog bezig de situatie zoals hij nu is stabiel te houden.”

This article was published in the Dutch magazine Ablak in 2008.